De twaalfde en laatste maand van het jaar op de Gregoriaanse kalender en telt 31 dagen. De naam komt van het Latijnse woord voor 'tien', decem; december was oorspronkelijk de tiende maand van het jaar, omdat ten tijde van de Romeinen het jaar in maart begon.
December valt in het noordelijk halfrond voor twee derde in de herfst en voor een derde in de winter; op het zuidelijk halfrond zijn dat respectievelijk lente en zomer.

Weerspreuken
December zacht en dikwijls regen, geeft weinig hoop op rijke zegen.
December mist, goud in de kist.
Kerstmis donker, wordt de boer een jonker.
Veel sneeuw op oudejaar, veel hooi in 't nieuwe jaar.[2]
Donder in de december maand, beloofd veel wind in `t jaar aanstaand
November
November ook wel: slachtmaand, bloedmaand, nevelmaand is de elfde maand van het jaar in de Gregoriaanse kalender, en heeft 30 dagen. De naam komt van het Latijnse novem voor negen. November was de negende maand in het jaar, omdat ten tijde van de Romeinen het jaar in maart begon.



Weerspreuken
Als het met Allerheiligen sneeuwt, leg dan uw pels gereed.
Geeft Allerheiligen zonneschijn, dan zal het spoedig winter zijn.
November warm en fijn, het zal een strenge winter zijn.
Wie houdt van wind, november bemint.
Als op Sint-Maarten de ganzen op het ijs staan, zullen ze met kerstmis door`t slijk gaan.
November telt dertig dagen, maar het dubbele aan wind en regenvlagen.
Oktober
Oktober is de tiende maand van het jaar in de Gregoriaanse kalender en heeft 31 dagen. De naam komt van het Latijnse octo voor acht. Oktober was de achtste maand van het jaar, omdat ten tijde van de Romeinen het jaar in maart begon.
Oktober wordt ook wel de wijnmaand genoemd en geldt sinds de 16e eeuw als de rozenkransmaand.


SEPTEMBER
September (ook wel: herfstmaand) is de negende maand van het jaar in de Gregoriaanse kalender en heeft 30 dagen.
Andere namen voor september: havermaent, evenemaent (avena = haver), herfstmaand, gerstmaand, vruchtmaand. September werd ook wel d'ander oogstmaand genoemd, als tweede oogstmaand (na augustus).



Weerspreuken
Trekt voor Sint-Michael (29 september) de vogel niet, geen winter is nog in 't verschiet.
Als de eikels vallen voor Sint-Michael, dan snijdt de winter door lijf en ziel.
Sint-Michael blaast het licht uit, Maria Boodschap (25 maart) steekt het aan[3].
Als in september de donder knalt, met Kerstmis de sneeuw in hopen valt.
Valt begin september de regen in plassen, het volgend jaar zal 't graan goed wassen.
Septemberregen, komt zaad en wijnstok wel gelegen.
AUGUSTUS
Augustus (ook wel oogstmaand - het woord oogst is zelfs van augustus afgeleid) is de achtste maand van het jaar in de Gregoriaanse kalender, en heeft 31 dagen.

Weerspreuken
Geeft augustus niet veel regen, maar wel veel zonneschijn, dan krijgen we zeker goede wijn.
Als augustus zonder regen henen gaat, zal men zien dat de koe mager voor de kribbe staat.
Augustus eerste week heet en laf, ziet men veel winterse sneeuw, wacht maar af.
JULI
Juli (ook wel: hooimaand) is de zevende maand van het jaar in de Gregoriaanse kalender en heeft 31 dagen.




Weerspreuken
Vóór Sint-Jan neemt de zee de buien an.
Brengt juli het gloed, zo gedijt september goed.
De wakkere hooimaand geeft de zeisen, de maaier in de hand met vlijt, daar lege schuren hooi vereisen, om het vee te voeden in wintertijd.
JUNI
zomermaand of weidemaand



Weerspreuken
Juniregen is Gods zegen.
Komt zonneschijn daarbij, dan maakt hij boer en stadslui blij.
Een boon in juni geplant, geeft vijftig in een hand.
De eerste juni kil en wak, brengt veel koren in de zak.
Juni met veel donder, brengt de oogst ten onder.
Is de juniavond mistig, dan het weer met gaven kwistig.
Juni vochtig en warm, dan maakt ze de boeren niet arm.
Is er in juni pas zonneschijn, dan wordt de zomer klein maar fijn.
MEI
de bloeimaand

Weerspreuken;
Een koude mei, een gouden mei.
Onweer in mei maakt de boeren blij.
Avonddauw en zon in mei: hooi met karren in de wei.
In mei leggen alle vogels een ei.
De meimaand tot juichmaand uitverkoren, heeft nochtans rijm achter de oren.
APRIL
Oud-Nederlandse naam: de Grasmaand, Kiemmaand of Paasmaand
het gras begint goed te groeien en de zaadjes kiemen.
Meestal is het in april ook Pasen.


Weerspreuken;
April doet wat hij wil.
April veel regen, brengt rijke zegen.
April koud en mei warm, geen boer wordt er arm.
Aprilletje zoet heeft ook nog wel eens een witte hoed.
Sneeuwt april nog op onze hoed, is voor druiven en koren goed.
Verschaft april mooie dagen, dan pleegt de mei de last te dragen.
April koud en nat, vult schuur en vat.
MAART
Oud-Nederlandse naam: de Lentemaand of Windmaand
De lente begint en het stormt dikwijls.


Weerspreuken;
Maart roert zijn staart.
Wil maart reeds donder, dan is sneeuw in mei geen wonder.
Maartse buien, die beduien, dat de lente aan komt kruien.
Donder in het groene hout, geeft een zomer nat en koud.
Nooit is maart zo zoet, of hij sneeuwt een volle hoed.
Een droge maart is goud waard.
Natte maart, veel gras
FEBRUARI
De naam sprokkelmaand heeft niets te maken met het werkwoord sprokkelen. De naam is afgeleid van het woord sporkelen dat springen betekent. Dit slaat op het feit dat het aantal dagen eens in de vier jaar een dag verspringt. In veel Oudnederlandse teksten wordt sporcle gebruikt om de maand februari aan te duiden. Later dacht men dat dit woord een verbastering was van sprokkel.

Weerspreuken;
Al is de sprokkel nog zo fel, ze heeft vijf schone dagen wel.
Is februari nat en koel, dan is juli dikwijls heet en zwoel.
Lichtmis donker, maakt de boer een jonker. Lichtmis helder en klaar, maakt de boer tot bedelaar.
Ligt de wind in februari stil, dan komt hij zeker in april.
JANUARI
de Louwmaand of Wintermaand
Januari (ook wel: louwmaand, ijsmaand, wolfsmaand, hardmaand) is de eerste maand van het jaar in de Gregoriaanse kalender. Januari heeft 31 dagen. De maand is vernoemd naar Janus, de Romeinse god van poorten en deuren.
Januari en februari zijn de laatste twee maanden die aan de kalender werden toegevoegd, aangezien de Romeinen de winter als een maandloze periode zagen.

Weerspreuken;
Als in januari de muggen zwermen, dan moogt ge in Meert uw oren wermen
Januari zonder regen, is de boerenstand een zegen
Geeft januari sneeuw en vorst, vaak de boer veel granen dorst.